BLOG – Het fipronil-schandaal is een enorme klap voor de pluimveesector. Miljoenen eieren moeten worden vernietigd, meer dan honderd bedrijven blijven voorlopig dicht en de vraag naar Nederlandse eieren is flink afgenomen.

De pluimveehouders die door de eiercrisis in de problemen komen, kunnen voorlopig echter nergens terecht met hun schade. De kosten die zij maken voor het vernietigen van besmette eieren en het ruimen van kippen zijn immers niet op een verzekeraar of het noodfonds voor de pluimveesector te verhalen. Gederfde inkomsten gelden bovendien als ‘gewoon’ ondernemersrisico.

De kans dat Chickfriend – het bedrijf dat kippenstallen schoonmaakte met het verboden middel fipronil – de middelen heeft om claims te kunnen betalen, is ook onwaarschijnlijk. Al met al genoeg redenen dat er vooral naar de overheid wordt gekeken voor financiële noodhulp.

De boot afhouden en dan bijdraaien
Vorige week donderdag wilde het ministerie van Economische Zaken (EZ) die boot nog afhouden en deelde het mee dat ‘er niet direct geld op de plank ligt’ om de getroffen pluimveehouders te helpen. Dit omdat de huidige eiercrisis niet veroorzaakt is door een dierziekte.

Een dag later was EZ echter behoorlijk bijgedraaid, dit na overleg met vertegenwoordigers van de boeren en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Na dat overleg zei staatssecretaris Martijn van Dam ‘naar manieren te zoeken om de pluimveehouders te hulp te schieten die door het fipronil-schandaal in de problemen zijn geraakt’.

Van Dam wees er op dat ‘heel veel pluimveehouders getroffen zijn terwijl ze onschuldig zijn geweest’. “Het is voor hen een ongelooflijk harde klap. En ze hadden dit jaar ook al vogelgriep gehad.” Daarom overleggen EZ en de andere betrokkenen over wat het ministerie nu kan doen om de pluimveehouders en ook de hele sector te ondersteunen om de eiercrisis te boven te komen.

Vergelijkbare gevallen: wel of geen hulp?
Brancheorganisatie LTO vergelijkt de huidige schade voor pluimveehouders met de eerdere malaise door vogelgriepuitbraken en gevallen van extreme schade door noodweer. “Toen konden gedupeerde pluimveehouders rekenen op de overheid”, aldus LTO, dat oppert dat de overheid voor borgstelling of een lagere rente voor de sector zou kunnen zorgen.

Was de overheid er echter wel altijd voor gedupeerde boeren? Hieronder enkele voorbeelden van hulp die wel of niet werd geboden:

  • in 2016: boeren en tuinders die schade leden door water en hagel tijdens een storm in Brabant en Limburg in juni 2016 werden niet gecompenseerd uit een noodfonds. Er werd volstaan met gesubsidieerde herstelbemesting om landbouwgrond te redden en werktijdverkorting om te voorkomen dat er banen verloren zouden gaan. De overige schade werd als ondernemersrisico beschouwd;
  • vanaf 2014 tot op dit moment: voor door de Russische boycot van Europese groente, fruit, vlees, vis en zuivel getroffen tuinders, boeren en vissers worden diverse steunmaatregelen ingesteld. Deze maatregelen worden gefinancierd door de Europese Unie;
  • in 2014: vanuit het Diergezondheidsfonds werden tegemoetkomingen verstrekt voor de schade als gevolg van maatregelen ter bestrijding van de uitbraak van de vogelgriep in november 2014.