Wanneer een mkb-bedrijf onderdeel wordt van een internationaal opererende groep, kan dat de business veel voordeel opleveren. Maar op het gebied van subsidies ook nadelen. Veel subsidieprogramma’s richten zich namelijk enkel op het mkb, maar wanneer een Nederlandse mkb-er wordt ingelijfd door een multinational, komt deze hiervoor niet meer in aanmerking.

Aanspraak maken op de subsidiepotten voor het grootbedrijf zit er vaak ook niet in. Dit zijn programma’s met heel andere omvangrijke doelen en met vaak complexere voorwaarden. En dus valt deze groep, terwijl er soms al jaren succesvol van een bepaalde innovatiesubsidie is geprofiteerd, ineens tussen wal en schip.

Bij de meeste innovatiesubsidies binnen het nationale en regionale bestel wordt op een positieve wijze gediscrimineerd tussen het mkb en het grootbedrijf. Een aantal van deze programma’s is enkel beschikbaar voor het mkb. Logisch, want deze groep bedrijven ontbreekt het vaak aan middelen om risicovolle innovatieprojecten voor te financieren.

Gemiste kans
Maar hoe zit het eigenlijk met die bedrijven die onderdeel zijn geworden van een moedermaatschappij, maar nog wel degelijk hun eigen broek op moeten houden? Deze partijen vallen nu vaak buiten de boot. De bedrijven opereren als mkb, maar de Europese definitie zegt dat ze als grootbedrijf gezien moeten worden. Kortom, ze zijn te groot voor het servet, maar te klein voor het tafellaken. Mijn inziens een gemiste kans voor Nederland, die toch graag (afdelingen van) grote R&D-intensieve bedrijven naar Nederland wil halen, maar nog steeds een schakel lijkt te missen in haar instrumentarium.

Verlies van R&D en werkgelegenheid
Uiteraard hebben de grotere internationale bedrijven vaak toegang tot middelen die mkb-ers ontberen, maar het is geen vrijbrief om elk project gefinancierd te krijgen. Bij dochters binnen een internationaal opererend concern is een veelgehoorde klacht dat een andere afdeling of fabriek buiten Nederland voorrang heeft gekregen tot het R&D-project omdat er aantrekkelijke overheidsfinanciering aan ten grondslag lag. Hierdoor ziet de Nederlandse vestiging haar R&D-intensiteit verslechteren en dit gaat gepaard met het verlies van hoogwaardige werkgelegenheid.
Uiteraard is de generieke WBSO regeling een belangrijke subsidiebron voor het grootbedrijf, maar deze ziet niet toe op nieuwe samenwerkingsverbanden en de ontwikkeling van een solide business case, waar projectsubsidies dit vaak wel doen.

Het roer om?
Moet dan het roer volledig om? Moet het grootbedrijf dan toegang krijgen tot dezelfde middelen als het mkb? Nee, dat zeker niet, dat zou een averechts effect hebben. Immers, als desbetreffende partij zijn eigen hoofdkantoor niet kan overtuigen en geen financiering los kan weken, waarom zou de overheid dan wel bij moeten springen?

Financieringsmix
De sleutel ligt in een betere financieringsmix. Een mix waarbij het grootbedrijf met een lager subsidiepercentage dan het mkb ook succesvol kan instappen in de programma’s die nu alleen voor het mkb beschikbaar zijn. Subsidie binnen het grootbedrijf wordt niet alleen gebruikt om financiering rond te krijgen, maar ook als bewijslast gebruikt om het belang van de ontwikkeling te benadrukken. De overheidsstempel kan ook het hoofdkantoor overtuigen het overige percentage aan financiering bij te leggen en de R&D-opdracht te gunnen aan de Nederlandse vestiging. De risico’s op ongeoorloofde staatsteun lijken behapbaar. Immers, het lukt buitenlandse partijen ook om overheidsfinanciering los te weken.

Groei door samenwerking
Deze aanpak biedt nog andere voordelen, namelijk betere samenwerking tussen de gevestigde orde en het mkb. Omdat dit type grootbedrijf nog denkt en werkt als mkb zal het “klein-duimpje”-effect wel mee vallen. Echter wordt bij succesvolle introductie van de innovatie wel een gezonde basis gelegd voor groei. Het grootbedrijf heeft een zekere massa, goede distributiekanalen en resources ter beschikking. Het mkb is, in tegenstelling tot het grootbedrijf, minder geremd door bureaucratie en regeldruk en komt vaak met meer creativiteit tot innovatieve oplossingen. Laat als overheid die twee daarom de handen in één slaan om R&D-projecten om te zetten in economisch toegevoegde waarde.

Vindsubsidies-consultant Erwin Altena